Tijdens de bezetting bestonden er twee bestuurlijke organen die als taak hadden het culturele leven te organiseren en te controleren. Op 27 november 1940 werd het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten (DVK) opgericht. Secretaris-Generaal Tobie Goedewaagen van het DVK stelde dat het departement het voortouw moest nemen in de opvoeding van de samenleving 'op een wijze, die het volksche bewustzijn versterkt en den volksaard in stand houdt'.

Volgens Goedewaagen was het moment aangebroken voor een wedergeboorte van de Nederlandse cultuur in de geest van de 'Nieuwe Tijd'. De praktische en uitvoerende zaken van het kunstbeleid kwamen in handen van een zelfstandige opererende afdeling van het DVK, de Nederlandsche Kultuurkamer (NKK). De Kultuurkamer, die op 25 november 1941 werd ingesteld, had de pretentie een beroepsorganisatie te zijn van alle kunstenaars.

In de praktijk was de Kultuurkamer, waarvan Goedewaagen eveneens leider was, een organisatie die in de kunstsector de nationaal-socialistische gedachte propageerde en de kunstenaars controleerde. Zo moest iedereen die actief was in de kunstsector verplicht lid zijn. Een ondertekende ari√ęrverklaring was daarvoor een vereiste. De Kultuurkamer bestond uit zes zogenoemde gilden: het Gilde voor Bouwkunst, Beeldende Kunst en Kunstambacht, het Muziekgilde, het Letterengilde, het gilde voor Theater en Dans, het Filmgilde en het Persgilde.

Goedewaagen bleef tot 18 januari 1943 president van de Kultuurkamer en secretaris-generaal van het DVK. Zijn opvolger H. Reydon was slechts enkele weken in functie toen er een aanslag op hem gepleegd werd. Tot aan het eind van de oorlog werden zijn werkzaamheden overgenomen door waarnemend secretaris-generaal van het departement jhr. S.M.S. De Ranitz.

Copyright © 2017 internetbedrijf Soldesign