Uitgeverij De Schouw

Binnen het nieuw opgerichte Departement van Volksvoorlichting en Kunsten (DVK) dat tot taak had het Nederlandse volk de weg naar de nieuwe nationaal-socialistische toekomst te wijzen, ontstond al spoedig het idee een cultureel blad in het leven te roepen dat het officiële orgaan zou worden van de Nederlandsche Kultuurkamer. Aanvankelijk zou het weekblad De Waag voor dit doel worden overgenomen, maar onderhandelingen hierover werden afgebroken, omdat het DVK niet aan de wensen van de Waagbestuursleden kon voldoen. Men besloot toen het over een andere boeg te gooien en een eigen uitgeverij in het leven te roepen die geheel ten dienste zou staan van het DVK. Daarmee had het departement een instrument in handen waarmee het minder afhankelijk zou zijn van de bestaande uitgevers- en boekhandelswereld, die voor
het merendeel vijandig tegenover het nationaal-socialisme stond. De uitgeverij zou bovendien het officiële orgaan van de nog op te richten Nederlandsche Kultuurkamer verzorgen. Nederlandse uitgeverijen hielden zich nog te zeer op de vlakte waar het ging om propaganda voor de Nieuwe Orde te maken en aan die situatie moest snel een einde worden gemaakt, constateerde men op het departement. Om te kijken hoe de Duitsers het hadden aangepakt, reisde in november 1940 reeds een delegatie van het kersverse DVK naar Berlijn. In het gezelschap bevonden zich secretaris-generaal Goedewaagen, hoofd algemene propaganda en ex-hoofd NSB-persdienst Oosterbaan, eigenaar van de Vereenigde Persbureaux (V PB) Meyer Schwencke, en Learbuch, sinds augustus 1940 algemeen secretaris van het Verbond van Journalisten.
De leiding van deze reis berustte bij Ministerialrat Fink, hoofd van de Hauptabteilung fur Volksaufklarung und Propaganda in Den Haag.
In Berlijn werden ze rondgeleid door Maarten van Nierop, correspondent van Meyer Schwenckes Vereenigde Persbureaux. De groep bezocht het veelgeroemde restaurant
Kernpinski en boemelde uitgebreid met 'Wein und Weib' in nachtclub Atlantic. Bij de urinoirs nam Meyer Schwencke Van Nierop in vertrouwen: "Treurig he! Wat een klootzakken! Dat moet nou de leiding voorstellen". Ik keek een oogenblik verbaasd naar het driehoekspeldje op zijn revers en toen zijn woorden. "Laat ze maar goed hun gang gaan", zei M.S. met een blik van verstandhouding. Ik begon te begrijpen wat zijn bedoeling was, die hij overigens verduidelijkte door te zeggen: "Het kan nooit kwaad als je die lui zoo hebt meegemaakt"', noteerde Van Nierop in zijn dagboek. Volgens dezelfde notities noemde Meyer Schwencke Oosterbaan een 'burgermannetje', Goedewaagen een 'studeerkamerfascist' en was de NSB 'de triomf van het burgerdom'. 'Ik behoor bij de groep Feldmeyer en Rost van Tonningen. Wij werken de groep Oosterbaan en Goedewaagen eruit', voorspelde de gladde intrigant Meyer Schwencke. Maar zover was het nog lang niet.

foute uitgevers De Schouw

Arie Meyer Schwencke was geen onbekende in de hoofdstad van het Derde Rijk en had zich al jaren voor het uitbreken van de oorlog verdienstelijk gemaakt voor de Duitse zaak. Aan relaties had hij geen gebrek. Zo stond hij in nauw contact met Geheimrat Heide, een van Goebbels' vertrouwenslieden voor buitenlandse propaganda. Bovendien had zijn persbureau een exclusief contract met het Scherl-Verlag, dat bepaalde dat de V PB het recht van eerste keuze had voor nieuwe
boekpublicaties voor Nederland, België, Zuid-Afrika en Nederlandsch-Indië.
Scherl gaf onder meer Die Woche uit en leverde talloze feuilletons aan kranten en tijdschriften. De V PB, gevestigd in de Haagse Muzenstraat, verzorgde ook wel vertalingen voor het Scherl-Verlag. Een van de vertalers die voor de V PB werk verrichtte, was de Nederlandse auteur Jan Campert. Scherl-Verlag was echter verbonden aan de propaganda-afdeling van de Duitse Wehrmacht die in neutrale landen boekjes over de oorlog in Polen en de inval in Tsjecho-Slowakije lanceerde. Meyer Schwenckes persbureau werd hiervoor ook ingeschakeld. Het ging onder meer over De waarheid marcheert van Werner Picht. Overigens kwam deze publicatie niet van het Scherl-Verlag, zoals Meyer Schwencke deed voorkomen, maar van de in militaire publicaties gespecialiseerde uitgeverij Mittler & Sohn in Berlijn. Het boekje werd ondergebracht bij de Haagse uitgeverij W.J. Ort, die vrijwel stil lag en feitelijk dus als stroman werd gebruikt. Uit deze hoek kwam ook het pro-Duitse Tsecho-Slowakije, slachtoffer der westersche mogendheden van Emanuel Moravec en De Ondergang van een imperium door Robert Briffault, becommentarieerd door Alan Sinclair Sidgwick en van een inleiding voorzien door Goedewaagen.

Het boek was bedoeld als 'aanklacht tegen en een aanval op de Britsche zelfgenoegzaamheid'. Hoewel Meyer Schwencke het na de oorlog zou doen voorkomen of hij met deze uitgaven sabotage pleegde, waren de Duitsers zo onder de indruk van de wijze waarop hij hun zaken behartigde, dat hij zich 'Sonderbeauftragter' van het Oberkommando der Wehrmacht mocht noemen. Dat zou hem bij volgende opdrachten tijdens het begin van de bezetting geen windeieren leggen.
Door gebruik te maken van zijn relaties bij de Wehrmacht sloot Meyer Schwencke in september 1940 een contract af met de firma Peter Kaiser Wehrmachtformularverlag, zodat hij de agent werd voor levering van formulieren aan de Wehrmacht in Nederland. Aan de verhouding met Peter Kaiser kwam abrupt een einde toen Meyer Schwencke financieel begon te sjoemelen en guldens declareerde in plaats van rijksmarken. Vervolgens bleef hij actief in dezelfde lucratieve branche en richtte het Victoria-Biirobedarf op, waarmee hij drukwerk van verschillende aard en kantoorartikelen bleef
verhandelen aan Wehrmacht en andere Duitse instanties. Om het vertrouwen van zijn Duitse cliëntele te winnen liet hij de dagelijkse leiding over aan een Rijksduitser later herdoopte hij dit bedrijf in de c. v. Novissima.
Op 7 mei 1941 kreeg uitgeverij De Schouw definitief haar beslag. De onderneming werd ondergebracht in een stichting, omdat zo het leidersbeginsel het meest tot zijn recht
kwam, de onderneming niet het maken van winst beoogde (zij kreeg vijftien procent van de opdrachten die door het DVK werden verstrekt ter bestrijding van inrichtingskosten, salarissen voor het personeel en algemene kosten) en omdat zij in deze vorm niet gebonden was aan een ongewenste openbaarheid zoals dat bij een NV het geval zou zijn. Als stichter werd Meyer Schwencke aangewezen, tot directeur werd A. Storm van Leeuwen benoemd. Oosterbaan hield als commissaris voor het DVK toezicht.

De Schouw betrok het pand aan de Nieuwe Havenstraat 38 in Den Haag en zou later verhuizen naar de J.P. Coenstraat 26. Doel van de stichting was 'bevordering van de studie van vraagstukken van culIuur en kunst door uitgave van boeken en tijdschriften en andere geschriften betreffende het cultureele leven en voorts het bevorderen van de volksvoorlichting'. Het DVK was geen vaste financiële verplichting met De Schouw aangegaan, de uitgeverij moest het hebben van incidentele opdrachten. Wel bepaalde de stichtingsakte dat het DVK toezicht hield op de inhoud van de uitgaven en toezicht op de gang van zaken bij de door het departement verstrekte opdrachten. Drukorders van de uitgeverij gingen naar de Vereenigde Grafische Bedrijven (v GB) van Meyer Schwencke, die als een spin in het Schouw-web gekropen was. Naast uitgeverij en drukkerij bouwde hij zijn netwerk uit met een boekhandel, De Boekenschouw, aan de Haagse Heerengracht 56-58, waar met name eigen uitgaven konden worden verkocht, het Algemeen Reclame- en Advertentiebureau Neuropa, de Haagsche Advies- en Reclame Studio (Hars) en het Bureau voor Marktanalyse. Meyer Schwencke had grootse plannen. Samen met Oosterbaan ontwierp hij in detail een schema voor een propaganda- en reclamebureau ter verspreiding van de nationaal-socialistische gedachte, waarvoor zij een budget van het DVK vroegen van f 7 miljoen 'Het winnen van een Volk voor een idee, voor een nieuwe Staatsgedachte, is thans nog slechts mogelijk door knap uitgedachte, uitgewerkte en psychologisch verantwoorde propaganda' , schreef Oosterbaan. Wederom zou de vorm een stichting zijn en wederom zou Meyer Schwencke de leiding op zich nemen. Toen dit plan door de secretaris-generaal van het Departement van Financiën, Rost van Tonningen, werd getorpedeerd, kwamen alle propagandaopdrachten van het DVK bij De Schouw terecht.

Al op 10 mei 1941 ontving de uitgeverij de opdracht een cultureel tijdschrift, De Schouw, uit te geven, dat het orgaan zou worden van de Nederlandsche Kultuurkamer. De VGB investeerde enorm en kocht speciaal voor uitgave van De Schouw snelpersen en nieuwe zetmachines. Papieropslagplaatsen werden in orde gemaakt en de panden aan de Muzenstraat 5 en de Nieuwe Havenstraat 32, 34 en 28 werden aangekocht. Maar pas in oktober was het eerste nummer gereed. Doordat de verordening van de Kulluurkamer nog niet was afgekondigd, duurde het tot januari 1942 eer het blad met het martiale zelfportret van kunstschilder Pyke Koch op de omslag kon worden verspreid. In datzelfde jaar werkte Oosterbaan een voorstel uit om met De Schouw Duitse nationaal-socialistische boeken uit te geven. 'Er leeft -vooral in de kringen der leden van de NSB het verlangen naar boeken, die een idee kunnen geven van de ophouw der nationaal-socialistische staat en gemeenschap in roman-vorm', schreef hij.

Het was volgens de hoofdambtenaar van het allergrootste belang dat de voornaamste Duitse nationaal-socialistische boeken onder de ogen van de massa kwamen. Er stond hem een reeks voor ogen die via de boekhandel zou moeten worden verkocht. Voor degenen met een kleine beurs zou De Schouw een abonnementserie moeten starten. Er kwam niets van terecht. De enige roman van die strekking die bij De Schouw zou verschijnen, was Peter Monkemann, roman van een vrijkorpssoldaat van Tudel Weller. Wel bleek De Schouw in staat series op te zetten. Zo verscheen er de Opbouw-reeks, opgezet voor journalisten, kunstenaars, boekverkopers en culturele fijnproevers die wilden weten wat de 'nieuwe tijd' voor hen voor veranderingen zou brengen. Daarnaast zagen acht deeltjes van de Schouwreeks het licht (op nummer zes na) en publiceerde D. Wouters vier delen in zijn serie Liederen uit de oude doos. Kenner van de Germaanse godenwereld Jan de Vries en zijn vrouw publiceerden bij de uitgeverij, waar ook enkele streekromanschrijvers als Jan Holm en Ger Griever onderdak vonden.

Niet te vergeten Tobie Goedewaagen zelf, die zijn toespraken en redevoeringen bundelde en in twee delen onder de titel Passer en speer bij De Schouw liet verschijnen. Vanaf november 1941 werd de uitgeverij gesteund bij de verspreiding van haar publicaties door De boekenschouw van het nieuwe Europa, een reclame-uitgave waarin de eigen publicaties ruimschoots onder de aandacht werden gebracht. De redactie hiervan was toevertrouwd aan Maarten van Nierop. In totaal werden er negen nummers van uitgebracht. Na juli 1942 werd De boekenschouw gestaakt.
Grote orders van het DVK waren de verzorging van de vier propagandakranten Victorie, Orde, Blokkade en Toekomst, die in een oplage van 2.100.000 exemplaren door de PTT huis aan huis werden verspreid. In eenzelfde oplage ging Max Blokzijls brochure Landverraders de deur uit Ook gaf De Schouw affiches uit: De eeuwige jood, voor de gelijknamige filmdocumentaire, naar een ontwerp van tekenaar en boekenillustrator
Hans Borrebach en Bolsjewisme is moord. De propaganda-activiteiten van de uitgeverij strekten zich nog verder uit. In 1941 werden in Den Haag twee tentoonstellingen georganiseerd onder de titels "Boek en pamflet in dienst van Moskou" en "Tien jaar strijd voor het nationaal-socialisme in Nederland". De Schouw had haar bestaansrecht na een jaar vol activiteiten voor de Nieuwe Orde wel bewezen, maar de financiering bleef een obstakel. Meyer Schwencke had gerekend op
bedrijfskapitaal van het DVK, maar dat bleef uit. Het departement had zelf geen geld. Bij elke opdracht moest eerst een begroting worden ingediend en pas na goedkeuring en uitvoering werd er betaald. Daardoor bleef de productie beperkt.
In november 1941 probeerde Meyer Schwencke hierin verandering te brengen door de financiële belemmeringen aan de kaak te stellen. In een toelichting bij zijn voorstel schreef hij: 'Het meerendeel der bevolking van ons land vertoeft na den dag van 10 mei 1940 nog geestelijk in den tijd van voorheen. [...]

Het is daarom een der voornaamste taken der regeering het volk voor te lichten en duidelijk en klaar voor oogen te stellen, hoe zich thans het maatschappelijk leven in Europa ontwikkelt en welke plaats Nederland in het geheel zal innemen." Het mocht niet baten. De onduidelijke financiële situatie bij De Schouw was aanleiding voor een diepgaand onderzoek: er zou drukwerk zonder toestemming van het DVK zijn uitgevoerd om de VGB aan orders te helpen, er zou drukwerk in rekening zijn gebracht dat niet was uitgevoerd, waren slechts enkele van de verdenkingen. In juli 1942 werd Arie Oosthoek als beheerder van De Schouw aangesteld, die daarvoor zijn baan als uitgever van de gelijknamige encyclopedieën opgaf.
Storm van Leeuwen werd ontslagen en Meyer Schwencke zelf werd van zijn functie als stichter ontheven. Hoewel er geen harde bewijzen van zijn malversaties konden worden gevonden, was hij te zeer in opspraak geraakt. Hij mocht zich niet meer met de pers, het drukkers- en uitgeversbedrijf bemoeien en raakte ook zijn V PB, V GB en zijn andere uitgeverij, De Delta, kwijt. Op 28 februari 1943 hielden ook de Vereenigde Grafische Bedrijven op te bestaan. Alle materialen en machines werden door de De Arbeiderspers overgenomen. Oosterbaan werd als propagandaleider van het DVK vervangen door Ernst Voorhoeve en kreeg voor het verdere verloop van de oorlog een functie als politiek controleur van verschillende bladen.
Uitgeverij De Schouw bleef na de reorganisatie boekwerken en brochures op de markt brengen, waaronder een achttal brochures over voeding, kleding en energiebesparing in tijden van oorlog. Voor de jeugd werden rijmboekjes uitgegeven, zoals de politieke fabel De Avonturen van Flits, de herder en Bull, de dog; Een echte jongen en Wim en Zus Flink in den Jeugdstorm, die overal in het land op scholen werden verspreid.
Grote klanten van De Schouw waren onder meer AKO, de Algemene Spoorweg Boekhandel en de Volksche Boekhandels van Westland. Maar ook De Bijenkorf bestelde met grote regelmaat boeken bij De Schouw.
De Schouw zou zich niet alleen tot zuiver culturele publicaties willen beperken. In een brief van 8 januari 1942 stelde bedrijfsleider J. Janssens aan het DVK voor een brochure over het jodenvraagstuk in Nederland in een oplage van 2.100.000 op dezelfde wijze als de brochures van Max Blokzijl (via de post) onder de bevolking te verspreiden. Immers, het 'Jodenvraagstuk wordt in ons land nog steeds volkomen onderschat', wist Janssens. Robert van Genechten had hierover net enkele lezingen voor de radio gehouden en het zou de goede zaak dienen als die gebundeld zouden worden tot een lezenswaardige brochure. Maar Oosterbaan voelde hier kennelijk niets voor.
In de marge van de brief schreef hij met potlood zijn antwoord: 'Neen, geen gezeur meer over de Joden.'
Rond diezelfde periode reisden A.J. Noordam en Janssens naar Berlijn om op verzoek van Goebbels' propagandaministerie te komen praten over een antisemitisch tijdschrift, dat in verschillende talen en in een buitengewoon mooie uitvoering door een niet-Duitse uitgeverij op de markt moest worden gebracht. Franse illustratoren hadden hiervoor kleurentekeningen gemaakt. De zaak verzandde echter. Behalve proefclichés is er van het tijdschrift in Nederland niets terechtgekomen.
Evenals meer uitgeverijen werd De Schouw door de beroering na Dolle Dinsdag meegetrokken. Oosthoek zag nog net kans het personeel te betalen en vluchtte vervolgens met de kas en met secretaris A.B. Roels, administrateur J.l Hamel en secretaresse F .l Oudemans naar Groningen. Daar namen zij hun intrek in Hotel Elzinga, maar veel was er niet meer te doen. In januari 1945 gaf Oosthoek onder de paraplu van De Schouw nog het blad Nederland Eén uit, waarvan uiteindelijk drie nummers verschenen moeten zijn.
(Uit: Zwaard van de geest: het bruine boek in Nederland 1921-1945 door Gerard Groeneveld)

Copyright © 2017 internetbedrijf Soldesign