Centrale uitgeverij annex drukkerij Oisterwijk, gevestigd in de gelijknamige Brabantse plaats, was in 1917 opgezet door A.G. (Fons) van den Boogaard en diens broer Gust. De onderneming werd in het begin overeind gehouden door de uitgave van het lokale weekblad Kerkklokje. De beide broers Van den Boogaard waren bijzonder actief in de katholieke herstelbeweging en goed bevriend met Emile Verviers en A.J. Zoetmulder. Vanaf oktober 1922 drukte Oisterwijk voor Verviers Katholieke Staatkunde.

Zeer vruchtbaar bleek voor de uitgeverij de samenwerking met Wouter Lutkie, die Van den Boogaard aanzette om zijn onderneming uit te breiden. Toen naar aanleiding van het verschijnen van Lutkies boek Van Toorop naar Mussolini met justitie moeilijkheden ontstonden, dreigde Oisterwijk financieel kopje onder te gaan. De niet onbemiddelde priester sprong bij en leende Van den Boogaard genoeg geld om zijn schulden af te lossen en enkele nodige investeringen te doen. Hierdoor kreeg Lutkie meer zeggenschap over de koers die de uitgeverij ging varen.

Door zijn vriendschappen met invloedrijke personen, wist hij velen als schrijver binnen het fonds van uitgeverij Oisterwijk te halen. Zo was hij tijdens een reis naar Wenen bevriend geraakt met de Oostenrijkse schrijver Richard KraIik, die actief was in katholieke kringen rond het tijdschrift Der Gral, op zoek naar een 'religieus waarheids- en schoonheidsideaal'. De Graalridders waren ervan overtuigd dat literatuur voor het hele leven, voor politiek, wetenschap en godsdienst, van doorslaggevende betekenis was, net zoals die op hun beurt weer beslissend waren voor het leven. KraIik was van vele markten thuis: filosoof, theoloog, historicus, politicus, kunstenaar en criticus. Lutkie deed verschrikkelijk zijn best KraIik in Nederland meer bekendheid te geven. Hij stelde een comité samen van katholieke journalisten dat geld bijeen moest brengen voor een Nederlandse autobiografie van Kralik. In 1926 kon het werk daardoor bij uitgeverij Oisterwijk onder de titel Richard Kralik verschijnen. Het boek bevatte bijdragen van de schrijver zelf en uitvoerige commentaren van Wouter Lutkie en Vincent Cleerdin.

Ook was het Lutkie die Van den Boogaard in contact bracht met Arnold Meijer, die in 1932 zijn ondergangsboek Wij vergaan bij de eveneens in Oisterwijk gevestigde uitgeverij Het SinjaaI had laten verschijnen. De teloorgang van Europa kon volgens ex-seminarist Meijer alleen worden voorkomen dankzij de kracht van een elite, de 'aristoi'. Meijer: 'Wanneer een kleine groep Katholieken fel en bewust wil leven, zal de massa hen binnen korte tijd volgen". Van den Boogaard was hiervan zo onder de indruk dat hij alle resterende exemplaren van dit werk overnam en onder zijn eigen imprint verkocht. Bovendien bood hij Meijer aan voortaan zijn geschriften uit te geven. Daar maakte de latere Zwart-Front-leider gretig gebruik van. 'Het is kameraad Alphons v.d. Boogaard, die mede aanleiding was, dat ik tot de taak kwam, die ik thans vervul. Toen ik hem vanuit het buitenland schreef, dat ik hem hoopte te bezoeken om over de uitgave van enkele boekjes te spreken, heeft hij anderen van mijn komen op de hoogte gebracht en gezamenlijk overlegd, hoe hij mij tot propaganda-Ieider van N. Brabant en Zeeland te krijgen'.

In de zomer van 1934 richtte Meijer zijn Zwart Front op en mede door de aanwezigheid van Van den Boogaards bedrijf, groeide het plaatsje Oisterwijk uit tot een bolwerk van fascistische actie en propaganda. In dat jaar voegde zich ook Steven Barends bij Meijers beweging die in het weekblad Zwart Front zijn eerste strijdverzen publiceerde. Oisterwijk bundelde die in 1935 onder de titel Jeugd in opstand.

Meijer publiceerde bij Oisterwijk, maar gebruikte later voor Zwart-Front-publicaties de imprint 'Uitgeverij De Ramshoorn', direct verwijzend naar het embleem dat hij voor zijn beweging koos. Binnen dit fonds waren al enkele opvallende werken te onderscheiden.
Nadat Meijer in maart 1936 vanwege zijn heftige kritiek op de naturalisatie van de joodse bankier Fritz Mannheimer voor drie maanden de gevangenis indraaide, schreef hij een dagboek dat bij De Ramshoorn in 1938 verscheen met een voorwoord van Valckenier Kips. Ook H. de Vries de Heekelingen, een inmiddels in Zwitserland woonachtige en in het Frans schrijvende ex-professor, was zeer gebeten op de 'joodse kwestie'. In 1938 publiceerde hij bij Oisterwijk Joden in de christelijk samenleving en bij uitgeverij De Amsterdamsche Keurkamer De joodsche hoogmoed.

In september 1938 gingen colporteurs op pad met De volksstaat van J.H. Valckenier Kips, een even doorwrocht als omvangrijk werk van meer dan 600 pagina's dat uitgeverij De Ramshoorn echter pas een jaar later kon leveren. Waarschijnlijk waren de bemoeienissen van de auteur er de oorzaak van dat het zolang duurde. Valckenier Kips besteedde talloze brieven aan correcties en aanwijzingen. Van een opvallende omslag moest hij niets hebben: 'Een wetenschappelijk boek moet ook in uiterlijk sober, maar niettemin zeer verzorgd zijn' , schreef hij aan de drukker.

Uitgeverij Oisterwijk was de poort geworden van waaruit een stroom van fascistische publicaties zijn weg zou zoeken naar een ontvankelijk publiek. Na Van den Boogaards vroegtijdig overlijden in januari 1940 stopte dat. Zijn vrouw probeerde aanvankelijk de zaken nog voort te zetten, maar de politieke ontwikkelingen maakten dat Meijer in april 1940 Zwart Front veranderde in Nationaal Front en het knusse Oisterwijk verruilde voor het deftige Den Haag. Hij publiceerde voortaan bij uitgeverij De Veste, gevestigd aan het Bezuidenhout en geleid door G.J. Zwertbroek. Het ooit zo bloeiende uitgeversbedrijf in Oisterwijk werd in 1944 door de oorlogshandelingen in de as gelegd. Na de oorlog werd de schrijver Johan van Keulen eigenaar van uitgeverij Oisterwijk, die er zijn onder pseudoniem Han B. Aalberse geschreven erotisch getinte Bob-en-Daphne-boeken zou laten verschijnen.

Copyright © 2017 internetbedrijf Soldesign